Naar inhoud
Gratis beginnen

Toets

Toets werkwoordspelling klas 2: tegenwoordige en verleden tijd door elkaar

Leerlingen vullen werkwoordsvormen in de juiste tijd in en leggen de spelling uit met de stam of ’t kofschip. De toets heeft twaalf vragen met meerkeuze, waar/onwaar en korte antwoorden en is bedoeld voor klas 2.

Door Edform · Taal · Leerjaar 8 · Gepubliceerd op 29 okt 2026 · Nieuw

Er wordt een kopie aan je account toegevoegd. Pas die aan zoals je wilt.

Vragen

  1. Kies de juiste vorm: Hij ... (werken) gisteren hard.
  2. Kies de juiste vorm: Wij ... (verhuizen) vorig jaar.
  3. Kies de juiste vorm: Hij ... (leren) gisteren de woordjes.
  4. Kies de juiste vorm: Wij ... (maken) gisteren een tekening.
  5. Welke zinnen zijn goed gespeld?
  6. In de zin ‘Jij fietst snel’ is het werkwoord goed gespeld.
  7. De verleden tijd van lachen is lachde.
  8. Vul de verleden tijd in: Ik ... (rennen) gisteren naar huis.
  9. Wat is de stam van het werkwoord wandelen?

Meer zoals dit