Naar inhoud
Gratis beginnen

Toets

Natuurkunde toets klas 5: warmte en soortelijke warmte

Leerlingen berekenen de benodigde warmte met Q = m · c · ΔT en redeneren over soortelijke warmte, massa en temperatuurstijging. Toets met meerkeuze, waar/onwaar, korte antwoorden en rekenvragen voor klas 5.

Door Edform · Natuurkunde · Leerjaar 11 · Gepubliceerd op 29 okt 2026 · Nieuw

Er wordt een kopie aan je account toegevoegd. Pas die aan zoals je wilt.

Vragen

  1. Wat is de eenheid van soortelijke warmte?
  2. Water (m = 2,0 kg, c = 4,18 · 10³ J/(kg·K)) wordt verwarmd van 20 °C naar 50 °C. Hoeveel warmte is nodig?
  3. Je verwarmt van elk 1,0 kg met dezelfde warmte. Soortelijke warmte in kJ/(kg·K): lood 0,13; ijzer 0,46; aluminium 0,88; water 4,18. Welke stof wordt het warmst?
  4. De massa wordt verdubbeld; de stof en ΔT blijven gelijk. Wat gebeurt er met de benodigde warmte Q?
  5. Welke grootheid geeft aan hoeveel warmte 1 kg van een stof nodig heeft om 1 K op te warmen?
  6. Een stof wordt verwarmd van 15 °C naar 40 °C. Wat is ΔT?
  7. Welke uitspraken over soortelijke warmte zijn juist? Kies twee of drie.
  8. Bij gelijke m en c is meer warmte nodig naarmate ΔT groter is.
  9. Voor 1,0 kg water en 1,0 kg ijzer is evenveel warmte nodig om 10 K op te warmen.
  10. Wat is de SI-eenheid van warmte?

Meer zoals dit