Naar inhoud
Gratis beginnen

Toets

Zinsontleding klas 1: gezegde en werkwoordelijk gezegde bepalen

Leerlingen in klas 1 bepalen het werkwoordelijk gezegde in zinnen met een of meer werkwoorden. Twaalf vragen: keuzevragen, invullen, koppelen, sorteren en waar/niet waar, met de zinnen als voorbeeld.

Door Edform · Taal · Leerjaar 7 · Gepubliceerd op 29 okt 2026 · Nieuw

Er wordt een kopie aan je account toegevoegd. Pas die aan zoals je wilt.

Vragen

  1. Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin: Mila fietst naar school.
  2. Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin: Ik heb gisteren een boek gelezen.
  3. Vul het werkwoordelijk gezegde in.
  4. Noteer het werkwoordelijk gezegde van de zin: Sara zal morgen komen.
  5. In welke zinnen bestaat het werkwoordelijk gezegde uit twee werkwoorden?
  6. Sorteer de zinnen op het aantal werkwoorden in het werkwoordelijk gezegde.
  7. Wat is het werkwoordelijk gezegde in de zin: Pim moet vanmiddag zijn kamer opruimen.
  8. Kies het juiste antwoord.
  9. Hoeveel werkwoorden staan er in het werkwoordelijk gezegde van de zin: De leerlingen hebben hard gewerkt. Schrijf het aantal op.
  10. Vul het werkwoordelijk gezegde in.

Meer zoals dit